Historie

In het hoofdstuk Historie stappen we in grote lijnen door de geschiedenis van het gebied heen. We laten zien hoe de metamorfose van polder naar golfheuvel via de tussenstappen van vuilstort en gifbelt is gegaan. Je kunt niet alles houden zoals is het was en ook huisvuil moest nu eenmaal een plaats krijgen. Ten slotte blijkt dat je best wat moois kan maken van een vuilnisbelt.

De geschiedenis is nog niet af, de toekomst is nog niet ingevuld. We weten niet wat we kunnen verwachten, want nog steeds weten we niet precies wat er in de belt zit. Nog steeds geven onderzoeken hun twijfels over de veiligheid voor de gezondheid. Nog steeds is de toekomst van de Coupépolder onzeker.



De polder

Het gebied was eeuwenlang onderdeel van de veenwildernis die zich achter de Noordzeeduinen uitstrekte van Vlaanderen tot Jutland.

Zo rond het jaar 900 begon de grote ontginning van de veengebieden. Ontwatering, bedijking en ook het afgraven van het veen tot een bepaalde diepte.

Rond 1150 was men al georganiseerd (het latere Hoogheemraadschap Rijnland, 1226) bezig met de uitwatering in Katwijk aan Zee en de afdamming van de Oude Rijn bij Zwammerdam (1165). Dankzij de ontwatering (en daarmee gepaard gaande veen-oxidatie) en afgraving kwam het maaiveld steeds lager te liggen en werd het noodzakelijk om het water te gaan oppompen. In 1407 werd Nederlands oudste wind/watermolen in Alkmaar gebouwd. Om de waterstand te onderhouden en de molens te betalen moest er natuurlijk een organisatie zijn. Dat was een organisatie van boeren/landeigenaars: Het polderschap.

De polders langs de Kromme Aar zijn al vroeg (ondiep) uitgeveend, drooggemaakt en in gebruik genomen als landbouwgrond.

Het veenriviertje de Kromme Aar kwam vroeger veel noordelijker, bij het huidige café de Heul, in de Oude Rijn uit. Later is de monding verlegd naar het zuiden.

In 1562 werd de Suydtpolder gesticht en in 1570 de Noortpolder. De monding van de Kromme Aar was de westelijke grens van die polders, en die werd in 1620 opnieuw verlegd, nu naar de huidige plaats (centrum Alphen). In 1666 werd de Noortpolder met de Suydtpolder verenigd in de Noord- en Zuideinder Polder en besloeg het gehele gebied tussen Kromme Aar, Oude Rijn en Ziende. De beroemde Aarlanderveense Molenviergang is in deze polder gelegen.

In die tijd gebeurde het belangrijkste goederenvervoer over water. De vaarweg tussen Gouda en Amsterdam liep door het riviertje de Gouwe, de sluis door, via de Rijn, naar de Woudwetering/Heimanswetering, die al in 1200 gegraven was, in de Leidsche Meer, waarvan het huidige Braassemermeer een restant is. De waterweg tussen Utrecht en Leiden was de Rijn, nu Oude Rijn. Vanaf 1656 kozen veel schippers op de noord-zuidroute door Holland hun route via de Aar richting Amstel.

In het dorp Oudshoorn, tussen Kromme Aar en Heimanswetering, liggen dan aan de Rijn de pleisterplaatsen voor passagiers en schippers: De herbergen De Star en De Prins. Om de vaarweg tussen Gouda en Amsterdam te bekorten werd er in 1658 een kanaal gegraven van de Gouwe naar de Kromme Aar, de Nieuwe Vaart. Dit kanaal kwam ter hoogte van de tegenwoordige Zegerplas in de Kromme Aar. Deze situatie hebben we op kaart in ons bezit, de Reise- en Zakatlas uit 1773.

In 1801 komt deel acht van de reeks Stad- en Dorpbeschrijver uit: Rhijnland II. Dis is het deel dat gaat over het tegenwoordige Groene Hart van Holland. Het gebied is dan het meest westelijke gedeelte van Aarlanderveen en wordt door de Kromme Aar gescheiden van Oudshoorn en door de Rijn van Alphen. Het wordt geroemd om zijn vruchtbare grond en schone boerderijen. Een welvarend gebied derhalve. In het hele gebied van het huidige Alphen, dat zijn Alphen, Oudshoorn, Aarlanderveen en Zwammerdam, wonen dan nog geen 6000 mensen. Maar ook toen al was dit centraal gelegen gebied het natuurlijke distributiecentrum voor Holland. Het buurtschap waar de Aar in de Rijn stroomt werd dan ook wel de Turfmarkt genoemd.

In 1825 wordt de Nieuwe Vaart doorgetrokken naar de Galgemolen aan (opnieuw) de Kromme Aar. Later stond daar het gemaal Neptunes, alias de Galgmachine. Het afgesneden stuk polder werd de Coupéepolder genoemd. Van couperen, afsnijden. Het kanaal ging Aarkanaal heten. Nu de Coupéepolder, nog steeds deel van de Zuid- en Noordeinderpolder, was afgesneden kwam er een uitwateringsprobleem. Men lost sit op door de Coupéepolder via een houten duiker onder het Aarkanaal door met de Zui-d en Noordeinderpolder te verbinden.

Deze duiker heeft gefunctioneerd tot 1977. Toen in de jaren 70 er steeds smeriger water, afkomstig van de vuilstort, door deze duiker kwam, hebben de tuinders van de Oostkanaalweg (lang het Aarkanaal), ondanks het verbod van Gemeente en Waterschap, deze duiker door middel van een vracht kattenklei gedicht.



Coupé

Op de kaart van 1912 zien we dat de Kromme Aar een halve cirkel maakt em twéé aansluitingen heeft aan de Nieuwe Vaart, waarna hij naar de Rijn stroomt in het centrum van Alphen. Hierdoor is het gebied de Coupéepolder afgesneden van zijn 'eigen' polder en komt het geïsoleerd tussen Aarkanaal en Kromme Aar te liggen. Wie naar deze kaart kijkt met een bestemmingsplanblik ziet meteen het verloren hoekje, het restantje polder, mooi geschikt voor een vies klusje.

Op de kaart uit 1912 is te zien dat er twee meertjes zijn. Het Kleine en het Grote Rietgat. Het Kleine Rietgat was een ondiep moerasje dat door de eigenaar is volgestort met grond van het naastliggende stroomruggetje. Het Grote Rietgat was een immens diepe put (wel) waar het water nooit dichtvroor en waarin met een stok van 10 meter nog geen grond gevoeld werd. De eigenaar dumpte hierin jarenlang snoeihout en boomstronken.



De vuilstort

Vanaf 1934 werd er al Alphens huisvuil in het Grote Rietgat gestort. Het verdween spoorloos in de diepte, het gat leek nooit vol te raken. Hoe groot en diep het gat blijkt wel dat pas in 1970 het gat eindelijk wél vol was, waarna de stort werd gesloten.

De gemeente opende een andere stortlocatie, maar die was na twee jaar al weer vol. Dus werd op 25 mei 1972 de Coupépolder opnieuw, maar nu geheel, als vuilstort aangewezen. Niet alleen voor huisvuil, maar ook om de stortproblemen voor zwaar vervuild bedrijfsafval op te lossen.

Men begon met het uitgraven van de klei, om veel ruimte voor vuil te krijgen. Naar later zal blijken is die kleilaag dieper uitgegraven dan de bedoeling was, zodat de belt aan de onderzijde waarschijnlijk lek is.

Tot 1978 werd alle vuil uit Alphen gestort op de Coupépolder. Tevens werden er grote hoeveelheden Zuid-Hollands bedrijfsafval gestort. Volgens een verklaring van een buldozermachinist zijn er al in 1974 op grote schaal vaten ("minimaal 10.000 in 6 maanden") met officieel "gevaarlijke" inhoud gestapeld. Het lukraak storten was te gevaarlijk, dat gebeurde alleen met "ongevaarlijke" vaten. Vanaf 1 januari 1978 was het niet meer toegestaan brandbaar afval te storten, dat ging naar de AVR.

De veel smeriger bedrijfsafvalstortingen gingen door tot 1 januari 1985. Op die datum was de belt vol en werd hij definitief gesloten.



Gifbelt

De eerste verhalen over gifstorten dateren al uit 1980. Nergens is gebleken dat overheden doelbewust de Coupépolder hebben bestemd als gifbelt. Wel werd de locatie aangewezen om het illegaal storten van bedrijfsafval tegen te gaan, en omdat deze locatie goed beheersbaar zou zijn. Nergens gebleken dat personen of bedrijven de stort doelbewust hebben uitgekozen om vieze zaakjes mee te verrichten. Maar dat komt waarschijnlijk meer omdat men zich niet realiseerde hoe smerig de zaakjes wel waren.

Wel is duidelijk dat door de ingewikkelde verhoudingen tussen allerlei belangen deze verstopte, centraal in de provincie gelegen vuilstort, ten prooi is gevallen aan allerlei deelbelangen. Personen zijn omgekocht, afvalvervoerders kregen flink betaald. De wet, te streng voor de praktijk, kon hier worden omzeild. Organisaties konden er hun verboden afval in kwijt en omdat de gemeente Alphen de ogen sloot, mocht zij van de provincie veel, heel veel woningen bouwen.

De Alphense gifbelt is bestuurlijk gezien een beerput. Tijdens de onderzoeken bleek dat het provinciebestuur daar een centrale, maar nog steeds onduidelijke, rol in speelde. De essentie is kernachtig samengevat door de toenmalig adjunctdirecteur Openbare Werken De Back, ongeveer alsvolgt: "De belt geeft een stevige onderhandelingspositie ten opzichte van de provincie."



Sanering

De sanering van de bult is stevig aangepakt. De zijkanten zijn ingepakt in bentoniet (duur!). Langs de Kromme Aar staat een metersdiepe stalen damwand. Daarover ligt een hoeveelheid aarde, zodat je er niets van ziet. Het regenwater stroomt daarover af naar de ringsloot zodat er niet méér water in de belt doordringt.

Binnen de belt ligt een drainagesysteem om het giftige water af te voeren en tevens het van buiten komende grondwater. Daardoor is in principe de belt afgeschermd van de omgeving. Ware het niet, dat men vergeten is de bovenzijde af te schermen. Hierdoor komen de giftige gassen ongehinderd naar buiten. En komt er toch regenwater de belt binnen. Regenwater dat deels in de drainage terecht komt, deels waarschijnlijk naar het diepere grondwater doorzakt. Het was oorspronkelijk de bedoeling om ook de bovenkant in te pakken, maar de provincie kwam net iets te laat met dat plan.

De gemeente Alphen, die al vanaf de sluiting het plan had de Coupépolder een recreatieve functie te geven, had al een golfbaan laten aanleggen, en de golfclub Zeegersloot maakte er al gebruik van. Zodoende bleef de bovenkant onafgedekt met alle milieuschade die daar in de toekomst uit voortvloeit.

Golfbaan

De Alphense golfbult is een groot commercieel succes. Niet alleen omdat de golfers er van de gemeente gratis gebruik van mogen maken. Maar ook omdat de golfbaan dankzij de belt hoog en droog ligt en is hij een groot deel van het jaar bruikbaar.

Dat is tevens de reden dat de sanering maar steeds niet kan worden afgemaakt. Om de uittredende gassen tegen te houden moet er eigenlijk een afdeklaag komen. Maar, dan zou de club een tijdje niet kunnen golfen. Dan lijdt de golfclub schade en eist die een forse schadevergoeding. Dat wil de gemeente natuurlijk niet betalen en dus doet de gemeente er alles aan om afdekking te voorkomen.

Wij doen er alles aan om de gifbelt alsnog te laten afdekken. Omdat pas dan het milieurisico tot het minimum is teruggebracht. Totdat die afdekking eris blijft er volgens de rapportage van een provinciaal onderzoek een gebruiksrisico van 1 overledene per 1 miljoen bezoeken. Niet te vaak gaan golfen in Alphen dus.