Affaire

De affaire Coupépolder begon met het vermoeden dat de Alphense vuilstort toch stoffen bevatte die niet in een vuilstort thuishoren. In het groeiend milieubewustzijn van de jaren-70 van de vorige eeuw waren er al eerder milieuschandalen aan het licht gekomen, Ridderkerk, De Volgermeerpolder bij Amsterdam, het Griftpark bij Utrecht.

Het vertrouwen van het publiek in de overheid was qua milieu, op zijn zachts gezegd, behoorlijk geschokt. Men was dus alert en het vemoeden van opnieuw een gifschandaal gaf grote onrust bij de bevolking. Het was dus niet verwonderlijk dat de Coupépolder grote aandacht in de media kreeg.

Het begon allemaal met de afvaltransporteurs.

Omdat de vervoerders kennelijk creatief met het aan hen aangeboden afval omgingen, men verdacht ze ervan prijzen voor verbranden te rekenen en het toch veel goedkoper te storten, ging men hun boeken controleren. Inderdaad vond men onregelmatigheden.Onderdeel van deze onregelmatigheden was dus ook dat er op de Coupépolder afval werd gestort, dat daar helemaal niet komen mocht.

Nu stonden de overheden kennelijk niet te trappelen om daar werk van te maken. Maar een oplettende Alphense milieubezorgde, Piet Rijnberg, deelnemer aan het reguliere milieuoverleg in de streekcommissie, kaartte dit vermoeden aan in een vergadering. Nanninga van de Telegraaf was daarbij en pikte dit op. Zij heeft contact opgenomen met justitiële kringen en met haar hoofdartikel in de Telegraaf begon deze milieuaffaire pas goed.

De Alphense bevolking schrok zich rot, maar de gemeente en gedeputeerde Van der Vlist hielden de verontruste bewoners voor dat het allemaal wel meeviel. Er werd op stel en sprong een verkend onderzoek gehouden. Op woensdag 30 maart 1988 kwamen de bewoners weer bijeen en moest de gedeputeerde toegeven dat er op minstens zes plaatsen in de belt gif lag. Burgemeester Paats was 'aangeslagen' en had in het begin nog 'de hoop' dat er niets aan de hand zou zijn. De provincie stelde een vervolgonderzoek in. De bewoners een commissie.

In juni 1989 blijkt dat de golfclub op eigen houtje en zonder toestemming de vuilstort aan de noordzijde van de Zegerbaan overhoopt heeft gehaald. Volgens wethouder De Jong is er niet zoveel aan de hand maar directeur openbare werken Van der Poel spreekt van illegaal en dreigt de politie in te schakelen. De golfclub laat kinderen het losse, zichtbare vuil, met de blote handen verzamelen. Dinkelaar van de golfclub zegt 'sorry'. Hij heeft het vuil niet verpreidt, het 'kwam vanzelf na een zware regenbui bovendrijven'.

In november 1989 was wethouder De Jong van mening dat het diepe grondwater onder belt opgepompt moest worden en gezuiverd. De provincie vertelde dat ze daar geen zin hadden want dat kleine beetje vervuiling maakte niks uit. Monitoren zou de de beheersmaatregel moeten zijn, en als dan later zou blijken dat... dan zouden ze wel verder zien.

In januari 1990 laat de provincie de belt onderzoeken op dioxines. De provincie wil een einde maken aan de geruchten die al jarenlang circuleren over dioxine. Wethouder hoorde er pas vlak voor Kerst van. Ook was hij verbaast dat er al onderzoeken geweest waren. Belangrijker is het rapport van TNO dat zegt dat de tot nu toe gedane onderzoeken géén voldoende basis zijn om tot beheersmaatregelen te besluiten.

Hoewel nog niemand op de hoogte is van de inhoud van de strafzaak die tegen Kemp loopt, dreigt de landsadvocaat al wel dat de gemeente Alphen wellicht medeverantwoordelijk is. Kennelijk is het toezicht op de belt onvoldoende geweest en kan dat leiden tot een miljoenenclaim bij een eventuele sanering. De Jong ontkent, overigens zonder nader onderzoek, dat de gemeente natalig is geweest.

Op 25 januari 1990 kan Van Boxtel, advokaat van Kemp melden dat uit het verhoor van het ex-reinigingshoofd blijkt dat het toezicht op de belt minimaal was. Dat onderschrijft haar eerdere stelling en die van de landsadvocaat dat de gemeente medeverantwoordelijk is voor de gifstortingen. Van Boxtel had justitie al verzocht ook naar de andere transporteurs te kijken, maar daar lijkt nog niet veel van te komen.

Aan de machineweg liggen een buurtje waar het aantal kankergevallen angstwekkend hoog is, in 10 jaar tijd dertien gevallen op de dertig personen: 40%. Geopperd wordt dat dit te maken kan hebben met de gifbelt. Het buurtje ligt ten noordoosten van de belt, en krijgt vanwege de overheersende windrichting (zuidwest) hun lucht vanaf de belt aangevoerd. Ze hebben in het verleden vaak geklaagt over de rook, de stofwolken en de stank die vanuit de belt kwam. De gemeente gaat schoorvoetend, (Paul Camphuijsen: 'onze voormalige medewerkers van de stort hebben geen kanker gekregen.') akkoord met een onderzoek.

Op vrijdag 8 juni 1990 wordt bekend dat de gemeente heeft ge-experimenteerd met 'landfarming'. Ze heeft gif van Biesterfeld laten storten en uitspreiden op een terrein aan de Handelsweg, aan de rand van een wijk. De gedachte was dat dan het gif eruit kon dampen waarna het 'milieu gereinigd' zou zijn.
br/> Op zaterdag 7 juli 1990 wordt het rapport over de Machinebuurt in de krant geopenbaard. De GGD heeft geen gegevens over de stoffen die gestirt en/of verbrand zijn op de belt, maar trekt de conclusie dat een verband tussen de gifbelt en het hoge aantal kankergevallen niet kan worden gelegd vanwege de te kleine populatie.

Na een inval bij Biesterfeld Chemie en Van der Werff wegenbouw, blijkt dat de gemeente niets wist van 'landfarming'. Wethouder Van Leeuwen had er zelfs nog nooit van gehoord. Ook liggen er stoffen die in elk geval niet van Biesterfeld afkomstig zijn. Paats is ongelukkig maar wist van niks. De provincie is nooit iets gevraagd, kortom: de ambtenaren hebben het op eigen houtje gedaan met gifgrond van onduidelijke afkomst. Maar het vervelende is dat volgens getuigen de gemeente al veertien jaar met de praktijk aan de Handelsweg bekend was. Ten slotte bleek het rapport nog anderhalf jaar in de la liggen voor de gemeenteraad werd ingelicht.

In september 1990 blijkt dat de Coupépolder steeds warmer wordt. Broei op zich is niet zo vreemd in een vuilnisbelt, maar temperturen tot 68°C zijn toch wel extreem. Wethouder De Jong heeft het over sensatieverhalen en Van Kasteren van de golfclub heeft het over indianenverhalen. Omwonenden zien 's nachts, maar ook overdag, dampen uit de belt opstijgen. Nadat ook de provincie beweert dat er niks aan de hand is meet de Heidemij 73°C op ruim een meter diepte. Een gasmonster wijst op aceton, zwavelwaterstof en pak's.

Stortbaas Dirk, die met Kemp een handeltje had om voor een aardig bedragje de andere kant op te kijken, is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf en een boete van ƒ 12.000. Een gelukje voor Dirk was dat een deel van de omkoping al meer dan 12 jaar geleden had plaatsgevonden. Dat was verjaard. Simon Kemp krijgt 4½ jaar en ƒ 150.000. Voor storten van gif, oplichting, omkoping en valsheid in geschrifte. Over de verantwoordelijkheid van chef reiniging De Vries of wethouder openbare werken Van Leeuwen laat niemand zich uit.

...wordt vervolgd....